Het EPO-Spook waart weer rond.

Vorige week kwam het nieuws naar buiten dat een Nederlandse marathonschaatser, Thom van Beek, was gepakt op EPO. Ook de B-staal was positief, dus zelfs de KNSB kon er niet meer omheen. Toen enkele weken geleden de Rus Pavel Kulizhnikov werd betrapt op Meldonium, duikelden de Nederlandse schaatsers nog over elkaar heen om te vertellen wat een schoft het wel niet was. Hij moest nog net niet op de brandstapel, maar het liefst zagen ze hem nooit meer terug op de ijsbaan. Hoe anders was het de afgelopen dagen in de Nederlandse pers. Alleen Ingmar Berga (ook marathonschaatser) was verontwaardigd. Voor de rest blijft het stil. Zijn ploeggenoten en trainers vertelden dat ze geschokt waren, maar niet snapten hoe hij positief kon testen. Tussen de regels door las je dat ze niet geloofden dat hij gebruikt had. Een veelgehoord argument was dat er niks te verdienen viel in het marathonschaatsen, hoogstens een spruitjespak. Ik hoop dat mensen die beredenering nooit meer gebruiken, want het is klinkklare onzin. Ook in (veredelde) amateursporten wordt grof gebruikt.  Zo laat het CIRC (Cycling Independent Reform Comission)- rapport uit 2015  zien dat bij amateur wielrenners er veelvuldig, en ja ook epo, wordt gebruikt (1). Het gaat dan om mensen die strijden om een veteranen-titel of een Gran Fondo (getimede toertocht). Daar valt dus niets te verdienen.  En bij Thom van Beek viel er juist wel wat te verdienen: een profcontract bij Lotto-Jumbo. Misschien niet heel veel euro’s, maar wel een perfecte professionele begeleiding om de komende jaren jouw droom te verwezenlijken.

Thom van Beek zelf ontkende in alle toonaarden. Nu was hij wel zo nuchter om te zeggen dat hij begreep dat een ontkenning van een sporter weinig waarde heeft. Als er een oscar voor liegende topsporters bestaat kan deze elk jaar wel uit worden gereikt.  Hij zelf gaf aan dat er een fout moest zijn gemaakt en refereerde aan Rutger Beke. Rutger Beke was een Belgische triatleet die in 2004 positief testte op Recombinant-epo. Dat wil dus zeggen dat het niet lichaamseigen EPO is en je het wel ingespoten moet hebben. Beke vocht dit met behulp van de universiteit van Leuven met succes aan. Ze lieten zien dat bij een hevige inspanning er in zijn urine eiwitten kwamen die leken op recombinant epo en die voor een vals-positieve test zorgden(2). Beke had wel een nierafwijking die dit veroorzaakte. Overigens bleek bij de zitting dat een derde laboratorium deze testresultaten nooit als positief zou hebben beschouwd(3). Er was dus sprake van een interpretatieprobleem. Inmiddels zijn we 10 jaar verder en is er een tweede test aan toegevoegd waar je positief op moet testen om uiteindelijk als positief voor epo te worden beschouwd . De kans dat Rutger Beke nu nog positief zou testen is dus vele malen kleiner. Even afgezien van het feit dat Thom van Beek ook nog een nierafwijking oid zou moeten hebben.

Rutger Beke

Rutger Beke in actie

Ik ga niet beweren dat ik 100 % zeker weet dat Thom van Beek schuldig is, maar ik acht de kans klein dat hij dat niet is; iets van zero zero cinco procent? En voor alle Nederlandse schaatsers: Niet alleen streng voor de Russen zijn!

 

1)Report to the president of UCI, Cycling Independent Reform Commission; http://cdn.velonews.competitor.com/files/2015/03/CIRC-Report-2015.pdf?_ga=1.241021504.2110903228.1459789321

2) Beullens M.,  Delanghe J.R.  and  Bollen M. False-positive detection of recombinant human erythropoietin in urine following strenuous physical exercise. Blood, 2006 (107);p. 4711-4713

3)Lasne F., No doubt about the validity of the urine test for detection of recombinant human erythropoietin,  Blood, 2006 (107);p. 1778-1780

Thomas in Mexico

Morgen is het zover. Dan gaat de man die lang geleden de tour voor Nederland zou winnen het uurrecord aanvallen. Wie zijn twitter-acount of de dagelijkse talkshows gevolgd heeft, heeft de hele voorbereiding mee kunnen maken. Hoewel hij de laatste jaren geen deuk in een pakje boter heeft gereden, heeft hij het toch voor elkaar: Ik geloof stiekem een beetje in de goede afloop. Waarom? Hij heeft een team van bewegingswetenschappers achter zich gekregen. Hij heeft een goede tijdritfiets waar hij al heel lang op heeft kunnen oefenen (zo kan het ook Belkin…), een aerodynamische houding en een baan op hoogte waar hij de poging gaat wagen. Nu alleen de benen nog…

Omdat de UCI flink heeft lopen klooien met de regelgeving rondom het werelduurrecord is het een tijd lang in de vergetelheid geraakt. Eddy Merckx  had in 1972 het legendarische record op 49,431 km gezet in Mexico-Stad, op hoogte. Toen eenmaal Francesco Moser aerodynamische fietsen ging gebruiken kwamen we boven de 50 km in een uur gereden. Daarna ging het hard en eindigde in het uurrecord van Chris Boardman in 1996: 56, 375 km. Dat ging wel in een heel onorthodoxe positie:

boardman-hour-record-watson-630x420

Chris Boardman

Deze fietsen en houdingen zouden te ver van de normale fiets afstaan, dus moest iedereen van de UCI weer terug naar de positie van Merckx in 1972:

Eddy-Merckx-Hour-Record-Mexico-City-1972

Eddie Merckx

Dit is een enorm verschil in houding en daardoor in aerodynamica. Dat laatste is verreweg de belangrijkste  reden voor de pakweg 7 km die Boardman verder dan Merckx kwam. Met die nieuwe en dus oude regelgeving kwam het record in 2005 door Ondřej Sosenka op 49,7 km. Het bleef een hele lange tijd staan, totdat in 2014 de UCI het record nieuw leven in wilde blazen. Het moest weer aantrekkelijk worden met aansprekende afstanden en fietsen die niet uit een museum lijken te komen. Dat laatste is belangrijk omdat zo grote fietsenmerken ook weer interesse in sponsoring krijgen. Fietsen die ook op de baan zijn toegestaan werden toegelaten. Dat betekent een enigszins aero-houding, maar niet zo extreem als de ‘superman’ houding van Chris Boardman. Jens Voigt was de eerste die het record van Sosenka verbrak en via Matthias Brändle kwam Rohan Dennis uiteindelijk op 52,491 km uit. Dat is dus het doel van Thomas Dekker.

rohan-dennis-uci-hour-record-2015-bmc-racing-team-b

Rohan Dennis

Als je de plaatjes van de 3 uurrecord houders bekijkt is er vallen er twee dingen op: de fiets en de houding. Als we eerst naar de fiets kijken: Tegenwoordig rijden we met dichte wielen en een carbon frame. Boardman had een nog wat futuristischer frame zonder een onderbuis. In de houding valt de superman positie waarbij de armen helemaal naar voren worden gestrekt op. Beide schelen in de aerodynamica, maar dat vond de UCI wat te ver van gewone wegfietsen afstaan. De houding van Thomas Dekker moet dus enigszins op die van Rohan Dennis lijken. Laten we daar tot slot nog wat langer bij stilstaan en een paar en de natuurkunde induiken.

 

thomas

Thomas Dekker.

De foto is niet ideaal, maar Thomas lijkt op alle foto’s toch wat meer richting de superman houding te gaan dan Rohan Dennis dat deed. En dat is gunstig, want het is aerodynamischer. Waarom dat belangrijk is? Deze formule, daar draait het om:

F(aero) = 0.5 x  ρ  x  Cd x A  x v 2 (1)

Als je bedenkt dat deze F(aero) of luchtweerstand zo’n 80 % van de totale kracht is die je moet overwinnen bij fietsen, snap je hoe belangrijk dit is. De uitkomst moet zo laag mogelijk blijven ondanks dat de V, die voor je snelheid staat, hoog is. In de formule is Cd een constante, daar kun je niks aan doen. ρ is de dikte van de lucht. Die kun je omlaag brengen door op hoogte te gaan rijden, dat doet Thomas dus in Mexico. Tenslotte houd je A over. A is je frontale oppervlak en die moet dus zo klein mogelijk zijn. Je moet als een superman door de lucht snijden, binnen de regels die de UCI aan je fiets stelt. Volgens mij doet Thomas dat. Nu is het nog een kwestie van een uur lang ongelooflijk veel pijn lijden en morgen kunnen we dat hopelijk allemaal zien.

1) Martin JC, Milliken DL, Cobb JE, McFadden KL, Coggan AR; Validation of a Mathematical model for Road Cycling Power, Journal of Applied Biomechanics 1998 (14) 276 – 291

 

De Blunder van Sotsji

In Sotsji, de plaats die wij kennen van de successen van de Nederlandse schaatsers, wordt op dit moment een nieuwe tweekamp uitgevochten tussen Magnus Carlsen en Viswanathan Anand om de wereldtitel in het schaken. Vorig jaar toen deze tweekamp ook al op het programma stond was het duidelijk: Carlsen was onoverwinnelijk. Dit jaar lijkt het anders te zijn; Anand plaatste zich overtuigend voor de rol als uitdager van Carlsen en lijkt ook wat frisser t.o.v. vorig jaar. Afgelopen zaterdag stond de zesde partij op het programma en de strijd ging tot dan toe gelijk op. Carlsen begon deze partij met wit en stond goed te spelen. Maar toen kwam zet 26:

Spaans kennen is handig, maar ik denk dat jullie wel begrijpen wat de strekking van de reactie van deze heren is, die live naar de wedstrijd kijken. Het is helemaal mooi om te zien hoe ze reageren als Anand in plaats van met zijn paard e5 te slaan, zijn zwarte pion op a4 zet. Hiermee gooit hij het cadeautje wat hij krijgt meteen weer weg. Laat ik voorop stellen dat ik vrij weinig van schaken snap, maar ik vind het spelletje en helemaal als het een tweekamp behelst intrigerend. Als je de commentaren leest staat wit er na 25 zetten goed voor (hieronder is de wedstrijd afgebeeld, klik om de stand na 25 zetten te bekijken op de 2e zet van zet 25, dus toren dg8). Qua stukken staat het gelijk, maar wit heeft zwart onder druk staan.  In deze betere positie zet wit haar koning naar d2. Carlsen wil namelijk naar de andere kant van het bord om zijn pionnen daar rugdekking te geven. Echter de koning op d2 zetten schijnt wel het stomste te zijn wat je kunt doen. Wat kan zwart namelijk dan? Zwart kan namelijk met zijn paard e5 slaan. Vervolgens moet wit wat gaan doen met zijn toren op g4. Die word aangevallen en heeft geen dekking. Hij zou het paard kunnen pakken met zijn toren op h5, maar dan slaat zwart met toren g1 de toren van wit op g4. Dan heeft wit dus een toren verloren en zwart alleen een paard. Heel voordelig voor zwart. De 2e  optie is om met de toren van g4 toren g1 te slaan. Zwart zou direct met toren h1 g1 kunnen slaan, maar voordeliger is om met het zwarte paard de pion van c4 te slaan. Nu staat wit schaak. Wit gaat met zijn koning naar d3 en bedreigt het paard, maar dat paard kan vervolgens naar b2 en opnieuw staat wit schaak. De koning moet weg en kan naar e2. Hierna kan zwart alsnog de witte toren slaan. Optie 2 geeft zwart 2 pionnen extra t.o.v. wit. Kortom zwart gaat van een achterstand naar een voorsprong, alleen maar door de blunder van Carlsen.

Het bizarre is echter dat Anand dit niet ziet. Na minder dan een minuut speelt hij pion naar a4 en laat hij Carlsen ontsnappen. 2 blunders in 1 beurt door de 2 beste schakers ter wereld. In de persconferentie achteraf, die trouwens veel van Jiskefet weg heeft, verklaart Carlsen dat hij meteen wist dat hij een blunder begaan had, en volledig in paniek raakte. Anand vertelde dat hij met een ander deel van het bord in gedachte zat en daardoor de mogelijkheid niet zag. Toen hij daarna zijn blunder maakte wist hij het ook meteen. Vervolgens waren ze allebei een beetje van slag maar trok Carlsen de partij naar zich toe.

Het mooie is dat in de topsport er nog steeds blunders worden gemaakt. Denk aan penalty’s die verkeerd in worden geschoten in finales, of 2 keer een binnenbaan rijden op een olympische 10 km schaatsen. De druk van finales maakt mensen vatbaarder voor fouten, zelfs Magnus Carlsen.

Fitheid in de jungle

Fitheid is zo’n beetje het meest gehoorde woord op de WK in Brazilie. Gisteren stond er nog een artikel in de NRC over de fitheid van Oranje. Vanwege dezelfde redenen als bij het wielrennen zijn er maar weinig fysiologische gegevens van voetballers in de openbaarheid. Wat wel bekend is, is dat Nederland op 3 andere landen na de meeste kilometers in de groepsfase heeft afgelegd. Dat zegt nog niet heel veel, want dat kan met de speelwijze te maken hebben, evenmin vertelt het ons hoe snel die kilometers zijn afgelegd. Aan de andere kant kun je natuurlijk wel zeggen; je moet het maar kunnen. Op basis van een paar gegevens en het beeld van de afgelopen wedstrijden van Oranje is het denk ik wel gerechtvaardigd om te stellen dat de fitheid dit toernooi zeker niet de beperkende factor is voor Nederland.

De vraag alleen is; wat is die fitheid straks waard tegen Mexico? We gaan voor die wedstrijd namelijk naar het tropische Fortaleza en spelen dan nog eens op het heetst van de dag. Die stad ligt net onder de evenaar aan de kust.

fortaleza_-7873

Zondag zal het in Fortaleza naar verwachting 30 graden worden met een luchtvochtigheid van 61 procent (1). Zijn we die temperaturen al in het toernooi tegengekomen? Tegen Chili was de temperatuur 22 graden met  een luchtvochtigheid van 50 procent. Tegen Australie, 15 graden en 55% en tegen Spanje 26 graden en 74 procent. Als we de getallen van de wedstrijd tegen Spanje pakken, dan kom je op een WBGT van 29 graden (2). Wet Bulb Gobe Temperature (WBGT) wordt gemeten met een speciale thermometer die luchtvochtigheid en temperatuur combineert. Dat zegt iets over de zwaarte van het weer voor het lichaam. Hoe hoger die temperatuur, hoe zwaarder het is om te sporten in die omstandigheden. Die thermometer heb ik  niet, maar er zijn tabellen ontwikkeld die dat benaderen (2). Als je die gebruikt kom je voor de wedstrijd tegen Mexico op een WBGT van 31 graden. Het wordt dus een stukje zwaarder dan tegen Spanje. Nederland is echter wel wat gewend. Ze trainen in Rio en daar heeft de temperatuur de afgelopen dagen regelmatig de 30 graden aangetikt, met luchtvochtigheden van rond de 55%. Dat geeft een WBGT van 30 graden. Dat komt dus heel dicht in de buurt van zondag. Omdat ze al een tijdje in Rio zitten zijn de lichamen van de spelers gewend geraakt aan de omstandigheden. Tel daarbij op dat de staf heel goed zware trainingen afwisselt met genoeg rust en je krijgt een optimale voorbereiding voor de wedstrijd tegen Mexico. Natuurlijk zijn Nederlanders geen Mexicanen die hun hele leven al in de hitte spelen, maar veel beter dan we nu doen kunnen we ons niet aanpassen.

 

1) Weersomstandigheden gehaald  van http://uk.weather.com/

2)Tabel te vinden op : http://www.bom.gov.au/info/thermal_stress

 

De krachtbron Kittel

Wie de sprint van de derde Giro-etappe zag gisteren moet geconcludeerd hebben dat er op Kittel op dit moment geen maat staat. Hij leek volledig kansloos op 200 meter, en kwam als 12e uit de laatste bocht, maar beukte dwars door de wind zo’n tien man voorbij. In zijn column op Nu.nl (1) merkt Thijs Zonneveld op dat je heel veel huishoudelijke apparaten kan laten draaien op het vermogen dat Kittel hier in de sprint produceert. Vermogen, ofwel het aantal watts, is een belangrijke maat in het wielrennen. In eerdere stukken heb ik er ook al over geschreven; het geeft aan hoeveel mechanische energie een renner per tijdseenheid kan leveren. Bij huishoudelijke apparaten zeggen de watts iets over de energie die zo’n apparaat per tijdseenheid verbruikt. In de keuken halen we de energie uit het stopcontact, maar wat gebeurt er als je Kittel, hypothetisch uiteraard, op de apparaten zou aansluiten. Kan hij ze laten draaien?

Helaas vertelt Kittel zelf niet wat hij in de sprint trapt(2). Door zo’n mysterie van deze getallen te maken weten we ook weinig van de vermogens van topsprinters in het wielerpeloton. Vaak zijn de wattages die genoemd worden, gehaald uit laboratorium testen en geven dus een vals beeld over wat er gebeurd in het peloton na 4-5 uur koers. Een pilot studie uit 2013 geeft toch een interessant kijkje in de keuken. Een profsprinter die ook daadwerkelijk koersen won ten tijde van de metingen, liet pieken zien van 1370 watt, en een gemiddelde van 1120 watt tijdens een sprint van zo’n  15 seconden (3). Als we dan even teruggaan naar onze huishoudelijke apparatuur zien we dat een vaatwasmachine 1200 watt verbruikt, een koffiezetapparaat 900 watt en een wasmachine 1000 watt. Zonneveld overdrijft dus een beetje met z’n witgoed lijst, maar als je je vaatwasser op een ultra-kort programma zet, kun je Kittel goed gebruiken.

1)http://www.nusport.nl/column/3772898/du-hast-haare-schon.html

2) http://velonews.competitor.com/2014/05/news/charging-victory-marcel-kittel-keeps-power-numbers-hat_327265

3) Menaspà P, Quod M,  Martin DT, Victor J & Abbiss C R (2013) Physiological demands of road sprinting in professional and U23 cycling. A pilot study. J Sci Cycling. Vol. 2(2), 35-39

Monsieur soixante-trois

Vandaag was er een berichtje dat de Venezolaanse renner, Jimmy Briceño, zijn contract bij de ploeg van Androni in Italië kon vergeten. De reden daarvoor was dat in zijn bloedpaspoort een hematocrietwaarde van 63 % prijkte. Wanneer we hematocrietwaardes horen van boven de 60 denken we natuurlijk meteen terug aan Bjarne Riis. Deze kalende (mogelijk ook een gevolg van Epo) Deen werd ook wel monsieur soixante genoemd omdat hij hematocrietwaardes van in de 60 % had. Deze verdikking, want hematocriet is een naam voor de dikte van het bloed (meer rode bloedlichaampjes per liter bloed is dikker bloed), kwam door zijn epo gebruik. Een normaal mens op zeeniveau heeft waardes van 41-51 procent. Ik zeg expres op zeeniveau, want leven op hoogte verandert je bloedwaardes.

Een artikel van C. Beall behandelt de aanpassingen van lichamen van oorspronkelijke bewoners in zowel de Andes als de Himalaya. Het interessante is dat de Tibetanen op een andere manier aan de hoogte gewend zijn dan de Zuid-Amerikanen. De Tibetanen reageren met hun longen. Dat wil zeggen dat ze in rust meer ademen dan mensen van zee-niveau en de Andes bewoners. Daarnaast reageren ze sneller op een zuurstoftekort.  Het lichaam reageert sneller door de ademhaling te vergroten en te versnellen. De bewoners in de Andes daarentegen, hebben zich aangepast door een hogere hemoglobine-concentratie en die hemoglobine meer te verzadigen met zuurstof. Hiermee wordt het zuurstoftransportvermogen van het bloed vergroot. Overigens is de hemoglobine-concentratie en het hematocriet praktisch hetzelfde. Sterker nog het hematocriet is te berekenen wanneer de hemoglobine-concentratie bekend is. Wanneer de hemoglobine-concentratie (hb-concentratie)gegeven wordt in g/dl moet je het door 0,34 delen om het hematocriet percentage te krijgen. In het artikel wordt een grafiek gegeven waarbij de hb-concentratie van de Andes bewoners getoond wordt. Er zitten daar mannen bij met een concentratie van 23,2 g/dl. Omgerekend geeft dat een hematocriet van 68,2! Let wel, het gaat hier om bewoners in Andes die leven op een hoogte van gemiddeld 4000 m. Mensen die lager wonen hebben die waardes niet.

En nu komen we weer uit bij Jimmy. Jimmy had een waarde van 63 %. In het peloton maak je daar misschien indruk mee, bij de die-hard Andes bewoners niet. Jimmy is geboren en woont in Barinitas, Venezuela. Dat ligt maar op 540 m hoog. Daarmee kun je die extreme waarde van 63 dus niet verklaren. Het is te hopen dat zijn bloedpaspoort van jongs af aan extreme hematocriet-waarden laat zien, anders lijkt het er toch wel heel erg op dat Jimmy zich ouderwets volgepompt heeft met epo of aanverwante middelen.

Beall, C.M., Tibetan and Andean Patterns of Adaptation to High-Altitude Hypoxia: Human Biology 2000 Feb;72(1):201-28.

De lamme en de blinde

Gisteren was er de finale van de Australian open, Nadal- Wawrinka. Hoewel de meesten hadden gedacht dat het een veegpartij in het voordeel van Nadal zou worden liep het totaal anders. Nadal werd in de eerste set op waarde geklopt en blesseerde zich in de tweede set aan zijn rug. Hij leek een spier te verrekken en moest vervolgens met pijnstillers en massage opgelapt worden. Nu is er een hele studie te maken van de blessures van Nadal:met name zijn knie is een heikel punt. Een video van de New York times uit 2013 laat dat prachtig zien: http://www.nytimes.com/video/sports/tennis/100000002244620/nadals-knee.html

Concluderend kun je stellen dat door de extreme speelstijl van Nadal met zijn dubbelhandige backhand en de capriolen die hij uithaalt om de ballen te halen een enorme belasting ontstaat voor zijn gewrichten. Helemaal op hard court, omdat die ondergrond harder is en je minder kunt glijden. Overigens heeft Nadal door die knie problemen zijn speelstijl aangepast en is hij agressiever gaan spelen, zodat de rally’s korter worden en hij de bal meer voor zich kan houden en hem minder vaak uit de hoek hoeft te plukken.

Tot zover de orthopedische kant van deze finale. Want die tennisser aan de andere kant van het net; Wawrinka leek ook geblesseerd te raken op het moment dat het bij Nadal in zijn rug schoot. Niet lichamelijk, maar mentaal. Zat hij in de eerste set nog in de zone, en speelde hij prachtig tennis, toen de fysio op de baan kwam voor Nadal kwam er chaos in het hoofd van Wawrinka. Hij ging praten met de umpire en tegen zijn box en belangrijker, hij sloeg de ballen uit of in het net. Wat het nu precies is geweest dat er in het hoofd van Stanislav afspeelde weet ik niet, maar feit is wel dat hij niet meer aan tennis dacht. Misschien dacht hij; dit is de kans van mijn leven, nu moet ik Nadal zo snel mogelijk pakken of Nadal speelt een spelletje met me. In ieder geval was hij uit de zone. En dit is precies wat de sportpsychologen zeggen; denk niet aan het resultaat of aan andere randzaken, maar focus je puur op het spelletje. Het menselijk lichaam, en dan heb ik het over de combinatie brein/lijf kan niet tegelijk een zware denktaak en een gecompliceerde beweging aan. In de vierde set ging dat wel weer wat beter en het mooie was dat Wawrinka dat ook aangaf na de laatste en beslissende break die hij plaatste; hij wees naar zijn hoofd alsof hij wilde zeggen; ik houd nu mijn kop erbij. Deze partij doet de vraag oproepen; Als je een fysio voor een lichamelijke blessure aan mag vragen, zou je dan ook geen time-out met een sportpsycholoog voor een mentale blessure aan mogen vragen?

 

De tandenfee

Daar lagen ze vorige week zondag: 7 tanden van Seve van Ass. Valentin Verga had ze met een wilde zwaai met de stick naar achteren uit zijn mond getikt. Zelf probeerde de aangeslagen Verga in een interview na afloop uit alle macht uit te leggen dat hij het niet zo bedoeld had. “Ik had hem niet gezien en ik heb nog geholpen met het opruimen van de tanden”, verklaarde hij. Uiteraard geloof ik hem, niemand verdenkt hem er ook van om moedwillig het gebit van de zoon van de bondscoach te hebben verbouwd. Maar wat uit het hele beeld afdruipt is een gefrustreerde reactie met zijn stick naar achteren; het spel was stilgelegd en er was geen enkele reden om nog met je stick te gaan zwaaien. Hij had zijn emoties niet onder controle. En dat terwijl prof hockeyers er prat op gaan zoveel meer controle te hebben over het spel dan de collega’s van lagere teams. Kennelijk hebben ze dus niet alles onder controle.

Seve van ass

Dat superieure gevoel van controle kwam ook naar voren toen de profhockeyers gevraagd werd naar verplichting van het bitje. De meeste ondervraagden schoten in de kramp. Het ademt niet lekker en je kan er niet goed mee praten. Overigens leken de reacties erg veel op die van profrenners toen ze in het verleden werden geconfronteerd met een dreigende verplichting van de helm. Het argument dat de profs minder blessures opliepen door hun superieure techniek werd ook naar voren gebracht door Robert van der Horst: ‘Wij zijn technisch beter onderlegd en daarom is de kans op een ongeluk kleiner.” liet hij in het AD optekenen. Als technisch mindere hockeyer moet ik eerlijk bekennen dat ik me een beetje in mijn eer voelde aangetast, dus ben ik op pubmed gaan zoeken naar feiten. Veel studies zijn er niet maar een interessante is die van Hendrick et al.. Zij bevroegen Engelse top speelsters naar bitjes gebruik en blessures. Wat bleek: 19 procent heeft blijvend tandletsel opgelopen bij het hockey. Dat het weinig voorkomt bij tophockeyers is dus een kulargument. Redenen die je kan bedenken dat het bij tophockey ook veel voorkomt zijn: sneller en harder spel, vaker een bal die omhoog gaat, meer uren hockey per week, meer belangen en dus ook meer frustratie. Dat bitjes helpen om blessures te voorkomen is al aangetoond: Niet-gebruikers hadden 86% meer kans op een mondblessure dan bitjes-gebruikers (Knapik et al. 2007). Al met al genoeg redenen om een bitje in te doen lijkt me zo. De bond gaat het niet verplichten: keuzevrijheid en dus eigen risico voor de sporter. Prima, maar laat de sporter dan bij een blessure aan de tanden de hele behandeling lekker zelf betalen!

Hendrick KFarrelly PJagger ROro-facial injuries and mouthguard use in elite female field hockey players. Dent Traumatol. 2008 Apr;24(2):189-92

Knapik JJMarshall SWLee RBDarakjy SSJones SBMitchener TAdelaCruz GGJones BHMouthguards in sport activities : history, physical properties and injury prevention effectiveness. Sports Med. 2007;37(2):117-44.

 

 

De oude man

Bijna 42 jaar, een verleden in de ploeg van Armstrong en dan klimrecords in de Vuelta van 2013 aan flarden rijden; echt een gelukkige combinatie is het niet. Het woord doping spat bijna van het beeldscherm af. Natuurlijk, hij had de wind in de rug op de Peña Cabarga, maar hij was 20 seconden sneller op ruim een kwartier klimmen, dan er ooit was gereden. Om iets meer te kunnen zeggen (negatieve dopingtesten zeggen niet zoveel heeft het verleden wel aangetoond) hebben we tegenwoordig op de fiets systemen als het SRM. SRM meet hoeveel wattage een renner trapt, met een apparaatje bij de crank. Wattage staat voor de mechanische energie die een fietser levert per seconde. Als je dat direct kan meten heb je een veel objectievere maat dan de tijd dat iemand over een klim doet. Die tijd wordt namelijk beïnvloed door factoren als de wind, het wegdek en stayeren achter andere renners. Wat voor de oude man die onderwerp van dit stukje is, namelijk Chris Horner, pleit is dat hij zijn wattage gegevens op het internet zet. Het volgende grafiekje is gehaald van www.srm.de.

vuelta18_horner_full

 

Als je even op het plaatje klikt dan kan je de gegevens wat beter zien en zie je een heleboel gekleurde lijntjes. Als we er even vanuit gaan dat er niet met de gegevens gesjoemeld is, kunnen we dan wat over de geloofwaardigheid van de prestaties van Chris Horner zeggen? Het verschil is gemaakt op de laatste klim van de dag en dus moeten we naar het laatste gedeelte van de grafiek kijken. De roze lijn staat voor de snelheid, de blauwe voor het aantal omwentelingen per minuut en de groene lijn staat voor het wattage. De computer heeft uitgerekend dat het gemiddelde wattage op de laatste klim 424 watt is. Is dat veel? Om renners met elkaar te vergelijken gebruiken we echter niet het totale aantal watt, maar het aantal watt per kilogram. Een zwaardere renner als Tom Boonen kan namelijk veel meer watts trappen door zijn gespierde lichaam. Dat wil echter niet zeggen dat hij ook harder gaat. Zeker bergop is elke kilo die je extra meeneemt een last. Daarom delen we deze 424 dus door zijn officiële lichaamsgewicht, namelijk 65 kg (dit is waarschijnlijk in het echt al minder na 3 weken koers) en dan kom je op 6.52 w/kg uit. Is die 6.52 veel? Een mooie vergelijking zijn de analyses op deze site: http://home.trainingpeaks.com/races/. Daarin staan van verschillende teams dezelfde soort grafiekjes uit wedstrijden van 2010-2012. Helaas zitten de SRM-apparaatjes niet op de fiets van de kopmannen, maar de waardes van de knechten zijn ook al indrukwekkend. Een goed voorbeeld is etappe 17 van de tour van 2010. Chris Anker Sorensen (knechtend voor Contador) rijdt 10 minuten lang 6.6 W/kg op de Tourmalet. De situaties zijn uiteraard niet helemaal te vergelijken, maar het geeft wel aan dat de waardes van Horner niet buitenaards zijn (alhoewel je je natuurlijk wel af kunt vragen hoe schoon de tour van 2010 was..). Of deze waardes voor iemand van bijna 42 buitenaards zijn is een ander verhaal en een mooi onderwerp om eens verder uit te diepen. Binnenkort dus een nieuw stuk over leeftijd en sportprestaties in de rubriek onderwerpen!

 

De wissel app

Afgelopen week was het EK hockey in België en die was, tussen de reclames door, te volgen bij RTL 7. Er waren leuke wedstrijden, tegenstanders die niet konden hockeyen, vertederende Belgisch nationale teams, en zoals het hoort bij hockey, ook weer veel innovaties. Zoeken naar innovaties hoort bij topsport, maar bij hockey is er geen enkele terughoudendheid om ze in praktijk te brengen. Zo is de video referral alom aanwezig in het hockey en dat pakt soms goed, maar soms ook heel slecht uit. Het is bij de helft van de goals of strafcorners een grote chaos omdat de benadeelde partij een video referral gaat aanvragen. De vraag die de teams dan hebben (vaak door 4 of 5 verschillende spelers met veel bombarie gesteld) wordt het liefst zo vaag mogelijk gehouden zodat iemand in de videokamer een aantal minuten een hele aanval gaat afturen naar overtredingen. Dat  moet je volgens mij niet willen. Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet lid van de prostaat-club van de FIFA die alle technische hulpmiddelen naar de prullenmand verwijst, omdat het de charme van het spel aantast. Maar je moet nog wel enige schwung in het spel houden. Een advies dus voor alle hockey-bobo’s; maak de regels rondom een video referral veel duidelijker en strakker en laat het initiatief zoveel mogelijk bij de scheidsrechters.

De video-referral was interessant, maar waar ik helemaal door verrast was, was de wissel-app. De coach, nou ja waarschijnlijk zijn assistent, heeft een laptop waarop wordt bijgehouden wanneer spelers gewisseld moeten worden. Exacte informatie heb ik er nog niet over kunnen vinden, maar het lijkt erop dat van te voren door een inspanningsfysioloog is bekeken wanneer de hockeyers gewisseld moeten worden. Ik denk dat je dan wat aan het doorslaan bent. Dat je in de vierde klasse afspreekt om elke 10 minuten binnen een linie door te wisselen kan ik me voorstellen, omdat er geen coach is die bepaalt wie er in of uit moet. Maar op het hoogste niveau zou je toch verwachten dat er naast een vooraf berekende presteer tijd, ook wordt gekeken naar hoe het spel ontwikkelt, hoe een speler in de wedstrijd zit en wat de tegenstander doet. Soms loopt het gewoon lekker en moet je helemaal niet wisselen, want wisselen zorgt nou eenmaal voor onrust. Nou zal het niet de oorzaak zijn geweest van het falen van de Nederlandse ploegen, zeker bij de mannen was der Mannschaft gewoon weer de beste. Maar ik ben heel benieuwd hoe het wisselbeleid bij de Spelen in Rio uiteindelijk tot stand komt.